
“Ik kom uit een halve stad, want die is doorsnee. “
We schrijven 1977. Elvis Presley gaat hemelen, Star Wars landt op aarde, op geopolitiek vlak gebeurt er heel wat, en ergens valt Jee Kast in Hasselt uit de koets in een woordenboek*. Hij kon niet lezen, maar net dat zorgde dat woorden flux werden. Letters die sindsdien als sterren in een nachtelijk zwerk zijn, waarmee hij steeds op een andere manier punten verbindt. Droomt en creëert.
“Je hoeft niet grijs te zijn,” zei de taalweeheld.
Nadat hij ooit in de Focus Knack stond als woordkunstenaar is het woord meer en meer courant geworden. Dat dwingt hem wat meer afstand te nemen en weer een ander woord toe te eigenen.
Het heeft lang geduurd voor mensen het genre of de term “slam poetry” begrepen. Er was steeds uitleg bij nodig. Het woord dat het dichtste in de buurt kwam, was “Woordkunst”. Het bevat wat hautains. “Kunstenaar” kan je jezelf niet toedichten. Dat doen andere mensen. Maker is genoeg. Met woord. Maar zelfs dat hoeft er niet persé bij.
“Wat doet hij dan precies?”
Dat is moeilijk uit te leggen. Optreden met tekst klinkt zo zwakjes? “Ja maar, wat doet hij dan precies?” Laat het weten nadat je hem gezien hebt. Kijk, luister, aanschouw met taalwee, alsof er nog geen hokjes zijn.
“Jee Kast maakt van taal een speeltuin.”
Van bedrijfsspeeches en wrap-ups tot openingen van exposities en korte taalintermezzo’s. Het liefst wordt hij uitgedaagd. Bewust inzetten op vernieuwing en proberen. Vakjargon vereist inleeswerk en creatie vergt voorbereiding. Hoe meer de materie eigen is, hoe groter de speeltuin.
“Heeft hij dan altijd wat?”
Vaak stapt Jee Kast na een kennismakend gesprek voor een groot evenement al met een idee naar buiten. Of na enkele vragen hamert hij snel een gedicht op zijn schrijfmachine.
Gekenmerkt door zijn blijvende queeste naar originaliteit.
*een Asterix naar Obelix