
Een koppel stond voor me. De jonge dame wat aarzelend, de bijpassende man met de nodig-gezonde achterdocht van ‘wat doe je me nou weer aan, schat’.
“Je wou toch…” Fluisterde hij.
“Kunnen we?” Zij, weifelend.
“Als je een gedicht wil…?” Ik maakte een bemoedigend, uitnodigend gebaar. Liefde overwon op argwaan en bedeesd ging de man de juffrouw voor. Ze zetten zich in de zeteltjes. Licht stroomde binnen in de ruimte die ooit de kerkhal was. De brede grote poort was vervangen door een dubbel glas en dit was mijn hoekje vandaag.
“Ik had u vorige week in Herenthout al gezien.”
“Oh wauw,” reageerde ik. “Jullie zijn dan toch niet speciaal voor mij gekomen?”
Het antwoord lag in het midden, de verwendag, de omgeving en ik. De Olense bibliotheek die ooit een kerk was, ligt niet ver van Herenthout. En, dit was inderdaad een toffe bibliotheek. Toch voelde ik me ergens vereerd. Gewoon, wanneer mensen de moeite doen.
Iets ervoor had iemand me gevraagd wat ik dan precies deed. Ik had net opgebouwd en ik wou even door de bibliotheek lopen. Goh, flapte ik eruit, ik voel me als een aapje met een kunstje. Mensen vertellen me wat en ik maak daar een tekstje mee.
Hoe of waar een aap precies uitflapt, begreep ik ook niet. Ik krijg het op een chimpanseebibs na niet gevisualiseerd. Ik mag me er ook niet mee vergelijken. Het is meer dan dat. Mensen aanspreken, ze lezen -ja natuurlijk, in een bibliotheek-, nee, ik bedoel, ze lézen. Kijken hoe ze zich verhouden, proberen aan te voelen waar ze staan, wat hun beweegt en welke dynamiek er is. Wat zeggen ze niet als ze voor me zitten, of net wel, én wie zegt wat.
Het voelt als een therapeutische sessie. Zei iemand. Ik stel dan ook ongegeneerd vragen. De man was leerkracht, de vrouw zat in de zorg. Door het ongedwongen luisteren was de mantel der achterdocht ook al snel uitgetrokken. Een oprechte, niet-oordelende vraag is vaak genoeg als breekijzer, ijsbreker.
We hebben wel eens de hulpstukken verkeerd aan wanneer we luisteren naar elkaar. Als een brace die je keert en meteen goed zit. #oeschoontje
“We worden geleefd.” zei ze. “Vaak voelt het echt als… pfoe, we overleven.” Met dat ze het zei kreeg over-leven een aparte klemtoon. Iets kleins is vaak een aanleiding om wat unieks te maken. Als een luciferhoofdje die langs fosfor strijkt en ineens ontvonkt. Het gedicht typte zichzelf, -met hoe moet ik het uitleggen – waar ‘over-leven’, iets was, … alsof de veelheid van het leven iets is wat boven je hoofd gebeurt. Je ondergaat het overleven. Waar je ondergedompeld werd met overstemmen, over-ditte en overdatte.
Het hoofd van de leerkracht Nederlands overwonnen, het hart van de zorgkundige ingezwachteld. Het resultaat een tekstje dat een ruwe diamant is, waar mensen vaak al de helderheid in zien vooraleer die geslepen is.
Mooi toch.
— — —
De foto is getrokken door Tom. Hij heeft wat met lenzen, lichtinval, satellietsignalen, fotografie, technologische hoogstandjes én mensen.
Voor bibliotheekliefhebbers uit de buurt. De bibliotheek van Olen van het architectenbureau A2o is een aanrader. Een architecturale herbestemming van een kerk waar sereniteit toch een speels karakter krijgt, met een leuke ontmoetingsruimte en multi-inzetbare ruimtes.